Wachten

Is wachten typisch iets voor kinderen? Niet kunnen wachten tot de dag dat je eindelijk jarig bent. Of juist iets voor oude mensen? Wachten tot de thuishulp komt. Of tafeltje dekje. Of dat de kinderen langskomen? Of nog erger: de onvermijdelijke dood. In dat stadium bevind ik me nog niet, maar je kunt er op wachten.

Wachten is iets dat ik – net als de meeste mensen – probeer te vermijden. Ik zie zelden mensen achterin de rij voor de kassa in de supermarkt, die rustig blijven staan als er een andere kassa opengaat. Ik houd nog dagelijks rekening met de vertrektijd van mijn trein, zodat ik die – net – kan halen. Als ik er niet op zou letten, zou ik gemiddeld 7,5 minuut moeten wachten. So what? Toch doe ik het niet.

De afgelopen week bezocht ik de Wijksafari van Adelheid Roosen in het Utrechtse Overvecht. In dit type voorstelling zit je niet maar wat te wachten tot er iets gebeurt: je bent al snel onderdeel van het hele gebeuren. Vooraf werd ons ‘toeschouwers’ de vraag gesteld; waar wacht je op in jouw leven? Dat bleek niet voor niets want het leven van de vluchteling  staat in deze voorstelling centraal. Wachten is dan een substantieel deel van dat leven, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. In ons gezelschap wachtte een jonge vrouw op het moment dat ze haar nieuwe woning kon betrekken. Een man wachtte op de vakantie. Een andere deelnemer wachtte op een nieuwe liefde.

Het lijkt wel of we niet meer zoveel wachten. We proberen wachten uit ons leven te verbannen. In de laatste wereldoorlog wachtten Russische soldaten die het overleefden soms de hele oorlog – meer dan drie jaar – voor ze hun geliefden of familie weer konden zien. Ik las het in een boek -Ivan’s war. Een goed boek maakt wachten aangenamer.  Mijn ergste ervaring met wachten was het halfjaarlijkse bezoek aan de tandarts in mijn jeugd. Het vooruitzicht was al niet leuk en dan mocht je er ook nog eens een keer zo’n vier uur op wachten.

Tegenwoordig weten vooral vluchtelingen wat wachten is. Wachten is voor de onderklasse. Wie kan, kiest op luchthavens de duurdere priority lane bij het boarden. Voor een paar minuten ‘tijdwinst’. Fascinerend op luchthavens is het contrast tussen de hoge gemiddelde snelheid van voetgangers en de haastloze tijd op de stoelen en banken voor de gates.

Ik train mezelf dus. Er zit nogal wat dwangmatigs in mijn haast. Ik loop wat vaker, in plaats van te fietsen. probeer niet op de tijd te letten, als ik de trein neem. Nu heb ik een buizenradio in de keuken. Ik moet dertig seconden wachten tot het apparaat voldoende opgewarmd is om te spelen. De zender staat standaard op WDR 3. Een andere zender instellen is een behoorlijke opgave. Daarom wacht ik liever tot er weer iets interessants voorbij komt.

Het mooiste wachten ken ik van Amsterdam. Het moment dat de brug over de Kostverloren vaart op de Van Hallstraat open gaat. Je hoort de bel van verre al. ‘Kut’ denk je. ‘Dat haal ik niet meer’. Je plaatst je fiets tot onder de slagboom en leunt daarop. Naast je komt een scooter te staan. De berijder zet de motor uit. Je kijkt naar de onderzijde van de brug. ‘Brug open. Motor uit’ lees je. Het getingel van de slagbomen is verstomd. Het lijkt of de stad zijn adem inhoudt. Eventjes. Stad, sta stil. En ik doe mee.

 

Een reactie op “Wachten

  1. Ik was eens met een Surinaamse vriend onderweg. Vlak bij een spoorwegovergang gingen de bellen rinkelen, de boom was nog niet in beweging. Ik reed snel het spoor over. ‘Waarom doe je dat nou?’, vroeg de vriend. ‘Scheelt toch gauw vijf minuten’, antwoordde ik. ‘En wat ga je met die vijf minuten doen?’, vroeg de vriend met zijn karakteristieke mellow accent.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *